Doel en strekking van het wetsvoorstel is het tegengaan van ondermijning van de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag. Als ondermijning wordt gezien het doelbewust en stelselmatig verzwakken of ondergraven van (i) wezenlijke organen voor het functioneren van de rechtstaat (zoals bijvoorbeeld het parlement, de rechtspraak, de regering of de politie) of (ii) (het uitoefenen) van fundamentele vrijheden. Het wetsvoorstel biedt een handhavingsinstrument om hiertegen op te treden en richt zich daarbij op de financiële middelen van een maatschappelijke organisatie.

Het wetsvoorstel bestaat uit drie onderdelen: 1. een informatieplicht die gaat gelden voor alle maatschappelijke organisaties, 2. een deponeringsplicht voor stichtingen en 3. een (wettelijk) handhavingsinstrumentarium om maatschappelijke organisaties aan te kunnen pakken die activiteiten ontplooien die zijn gericht op (dreigende) ondermijning van de democratische rechtsstaat of openbaar gezag.

1. Informatieplicht

Op basis van het wetsvoorstel zijn burgemeesters en enkele bij wet bepaalde overheidsinstellingen (waaronder het openbaar ministerie (OM), maar bijvoorbeeld ook de Belastingdienst en de Sociale Verzekeringsbank) bevoegd informatie op te vragen over de herkomst, doel en omvang van donaties (waaronder worden begrepen erfstellingen en legaten) die (direct of indirect) zijn ontvangen, zowel uit binnen- als uit het buitenland. Het bestuur van een maatschappelijke organisatie geeft inzicht in donatiegegevens die thans al op grond van bestaande wetten dienen te worden bijgehouden. Achtergrond van deze informatieplicht is het tegengaan van onwenselijke beïnvloeding van maatschappelijke organisaties als gevolg van het ontvangen van donaties. Het wetsvoorstel legt uitdrukkelijk geen aanvullende verplichting op om donatiegegevens bij te houden. Indien het bestuur van een maatschappelijke organisatie niet meewerkt aan de informatieplicht, is sprake van een economisch delict. Bestuurders riskeren dan een bestuursverbod.

Als blijkt van “substantiële donaties” kunnen persoonsgegevens van de schenker worden opgevraagd bij de maatschappelijke organisatie, maar enkel wanneer dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde (al dan niet in preventieve zin) of in het kader van uitvoering van wettelijke taken. Er is (nog) geen duidelijk kader gegeven wanneer sprake is van substantiële donaties. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven dat gekeken kan worden naar zowel de absolute als de relatieve omvang van donaties. Opgemerkt wordt dat burgemeesters en instanties zich mede kunnen laten ‘inspireren’ door de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) waar bedragen van € 15.000 of meer als indicatie van een zogenoemde “ongebruikelijke transactie” worden gezien.

Tot slot wordt het verboden om in opdracht van een ander donaties te doen, zonder de maatschappelijke organisatie de benodigde gegevens te verstrekken over de herkomst van de donatie en de persoon van de donateur.

2. Deponeringsplicht

Nederlandse stichtingen zijn momenteel verplicht jaarlijks (binnen zes maanden na het einde van het boekjaar) een balans en een staat van baten en lasten op te stellen. In het geval het een niet-commerciële stichting betreft, hoeven deze financiële gegevens niet te worden gedeponeerd bij het handelsregister van de Kamer van Koophandel. In het kader van het bestrijden van misbruik (zoals belasting- of faillissementsfraude, terrorismefinanciering of witwassen) bevat het wetsvoorstel de verplichting dat stichtingen (die niet reeds verplicht zijn een financiële verantwoording te publiceren) een balans en een staat van baten en lasten moeten deponeren bij het handelsregister. Voor de volledigheid benadrukken wij dat het wetsvoorstel ziet op álle stichtingen die nu nog niet verplicht zijn financiële gegevens te deponeren (waaronder bijvoorbeeld stichtingen administratiekantoor (STAK) of algemeen nut beogende instellingen (ANBI)). Het wetsvoorstel stelt geen additionele voorwaarden aan de te deponeren balans en staat van baten en lasten.

Na deponering zijn de financiële gegevens van stichtingen enkel inzichtelijk voor specifiek bepaalde overheidsinstanties (waaronder bijvoorbeeld de Minister van Justitie, het OM, politie en rijksrecherche, de Belastingdienst, de FIOD en de AIVD).

De deponeringsplicht gaat gelden voor boekjaren die aanvangen na inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

3. Handhavingsinstrumentarium

Als gevolg van het wetsvoorstel krijgt het OM een nieuwe taak, namelijk om maatregelen te treffen jegens maatschappelijke organisaties die de democratische rechtsstaat of het openbaar gezag (dreigen te) ondermijnen. Een maatregel die het OM bij de rechter zou kunnen verzoeken betreft het bevel door de rechter aan een maatschappelijke organisatie om zich van bepaalde activiteiten te onthouden, of deze te staken en gestaakt te houden (stakingsbevel). Om de naleving en handhaving van het stakingsbevel te verzekeren, kan de rechter (bijvoorbeeld) een dwangsom opleggen die verbeurt bij het niet naleven van het stakingsbevel door een maatschappelijke organisatie. In samenspraak met het OM zal uiteen worden gezet op welke gronden en voor welke activiteiten het OM de rechten om een stakingsbevel kan vragen.

Vervolg

De wens is om de wet per 1 januari 2026 in te voeren. Daartoe zal deze eerst nog in de Eerste Kamer moeten worden behandeld en (tijdig) moeten zijn gepubliceerd in het Staatsblad.

Contact

Heeft u na het lezen van dit nieuwsbericht behoefte aan een nadere toelichting op een of meer onderwerpen? Of heeft u interesse in een vrijblijvend kennismakingsgesprek? Neem dan contact op met uw Loyens & Loeff-adviseur of met een van onze adviseurs van het team Family Owned Business & Private Wealth. Wij helpen u graag verder.